Bran van Alman’or, deel 1 – Patrick Brannigan

Voor het slapengaan kun je elke Zondag de Geekstijl Leeshoek induiken met een nieuw verhaal. Lekker ouderwets meegenieten met spannende afleveringen uit de onuitputtelijke verbeelding van Nederlands Fantasy en Science Fiction talent. Deze keer een verhaal met een geurtje, geschreven door Patrick Brannigan.

Bran van Alman’or, deel 1 – Patrick Brannigan

Dwarf Rogue Bran van Alman’or, deel 1   Patrick BranniganVrolijk fluitend beende Bran over de holle, uitgesleten weg. Hij voelde zich opperbest, want de zon bescheen zijn slungelige lichaam, zijn buik was gevuld met een hartig ontbijt en de omvang van zijn buit bleef hem verbazen. Hij schudde zijn geldbuidel en vergenoegd hoorde hij het gerinkel van een paar dozijn florijnen, die nacht met gevaar voor eigen leven bijeen gegaard.

Althans, het had gevaarlijk kunnen zijn als de herbergier beter bewapend was geweest. Grijnzend moest hij toegeven dat hij eigenlijk nooit in gevaar was geweest, zelfs niet toen de herbergier met een knuppel op hem was afgestormd. De herbergier was mank, veertig pond te zwaar en lang voorbij zijn gloriejaren. Geen partij voor een kerel als Bran, die zijn zwaard met zwier wist te hanteren. Hij trok razendsnel zijn zwaard, doorstak een termietenheuvel langs de weg en lachte vrolijk toen hij zag hoe de insecten woedend uit hun heuvel zwermden. Met evenveel gemak had hij de herbergier aan zijn zwaard geregen. Gelukzalig overpeinsde hij het tafereel van de vorige avond. Die mankepoot lag machteloos leeg te bloeden, terwijl Bran zich voor zijn stervende ogen ontfermde over zijn verdrietige vrouw. Immers, ze was veel te jong en mooi om gelukkig te kunnen zijn met zo’n oude smeerlap als de herbergier. Ongelooflijk dat ze zo had tegengestribbeld!

‘Een flinke klap is meestal afdoende, jongen,’ had zijn vader hem altijd voorgehouden. ‘En als dat niet werkt, nou, dan sla je gewoon nog een keer. Maar dan harder.’ Zoals altijd was zijn vaders advies juist. De vrouw van de herbergier had slechts twee klappen nodig gehad om wat inschikkelijker te worden en hem de beloning voor zijn harde werk te gunnen. Jammer dat hij niet wat langer van haar charmes had kunnen genieten. Hij likte zijn lippen en schudde spijtig zijn hoofd. Ook hierover had zijn vader een wijze raad: ‘Bran, de charme van een vrouw duurt slechts een korte wijle. Daarna heb je er niets meer aan. Nutteloze zaken moet je afdanken, jongen. Geen ballast meeslepen, dat vertraagt alleen maar.’ Bran knikte instemmend; zijn vader was een wijs man geweest, hoewel dat niet had kunnen voorkomen dat zijn botten nu verbleekten in de woestijnen van Erg. Bran hief een gebalde vuist naar de hemel en zwoer voor de zoveelste keer dat hij de moordenaar van zijn vader zou vinden en terechtstellen.

Nieuwe avonturen lonkten aan de einder. Ziedaar, een wagen kwam hem stapvoets tegemoet, gemend door een man in een eenvoudige kiel en getrokken door twee grote knollen. Een nieuwe uitdaging! Wie weet wat deze boerenkinkel vervoerde op deze nederige wagen? En allicht dat het beter was te rijden dan te lopen, dus misschien was deze man genegen om een paard af te staan? Bran ging wijdbeens op de weg staan, toonde zijn meest innemende glimlach en hief zijn hand. De menner trok aan de teugels, bekeek Bran van top tot teen en spuugde tabakssap op de stoffige weg. Bran zag dat de man een oor miste en donkerbruine tanden had.

‘Gegroet, nobele wagenmenner! Lang leven en geluk! Waarheen voert uw pad?’

‘Schreeuw niet zo, vreemdeling. De worg die mijn oor afrukte heeft mijn gehoor onbeschadigd gelaten, ’ antwoordde de man. Hij bekeek Bran fronsend. ‘Alhoewel het uw zaken niet zijn, is het geen geheim dat ik op weg ben naar gindse herberg, waar ik mijn goede vriend de herbergier zal treffen. Hij heeft mij beloofd zijn vrouw te ruilen voor de inhoud van deze kist, hier op mijn wagen.’ De menner keek wantrouwig naar Bran, die luidruchtig kuchte alsof hij zich verslikt had.

‘Wat nu, vreemdeling? Vanwaar uw plotselinge hoest en de hoogrode kleur op uw wangen? Zijn vrouw is een bekoorlijk wezen, vandaar mijn interesse. Daar is niets onfatsoenlijks aan. Mag ik dan geen erotische verlangens koesteren?’ De man spuugde nu een enorme sliert tabakssap op de weg en maakte zich gereed om zijn reis te vervolgen. Bran herinnerde zich het tafereel dat hij in de herberg had achtergelaten. Een geplunderde geldkist, het lijk van de herbergier op de vloer, zijn weduwe met een gebroken blik in de echtelijke sponde. Wellicht dat deze boerenkinkel zich genoodzaakt zou voelen om de schout te waarschuwen? Dat mocht niet gebeuren! Snel schatte hij de afstand tussen hemzelf en de wagenmenner, hoog op zijn bok. Hij kon hem niet onverhoeds doorsteken. Hij kon niet zien of de man wapens binnen handbereik had. Haastig sprong hij met opgeheven armen voor de wagen.

‘Nobele heer! Vergis u niet in mijn oordeel! Iedere man heeft recht op zijn lusten! Ik vrees alleen dat u een teleurstelling te wachten staat in de herberg van uw vriend.’

De wagenmenner toomde zijn paarden weer in en keek Bran nu misprijzend aan.

‘U spreekt in raadsels. In deze streek houden we daar niet van. Men zegt wat men denkt, zonder omwegen of omhaal! Verklaar uzelve!’

Bran had geen flauw idee wat hij moest vertellen en staarde de man schaapachtig aan, totdat een walgelijke lichaamsgeur zijn neus bereikte. De wagenmenner rook naar bedorven eieren, varkensmest en oude kaas; een krachtige combinatie die Bran de adem benam. Hij grijnsde en sprak de menner bezwerend toe.

‘Vannacht mocht ik proeven van de ruimhartige gastvrijheid van de herbergier en natuurlijk vielen mij de charmes van zijn gade op. Zij bezit een onovertroffen schoonheid! Alhoewel zij die avond wat nurks leek. Ik zal u desgewenst vertellen waarom.’ Bran gebaarde samenzweerderig en de man knikte kort.

‘De herbergier fluisterde dat zij bijzonder gevoelig is voor lichaamsgeuren. De vorige dag had de herbergier zich niet gewassen en zijn vrouw was die nacht ongenegen om zijn gerechtvaardige wensen te vervullen! Stelt u zich eens voor!’ De wagenmenner fronste en rook voorzichtig aan zijn kleren. ‘Uw vriend de herbergier heeft u niets verteld over deze gril van zijn vrouw? Dat is verwonderlijk! Het lijkt mij toch belangrijke informatie? Zeker als het om een ruil van een dergelijke importantie gaat,’ meesmuilde Bran. De man op de bok werd rood in zijn gezicht.

‘Nimmer heeft hij het hierover gehad, dat zwijn! Hij bezwoer me dat ze volgzaam en lief was, zonder nukken. Een waardige ruil voor mijn bezit,’ gromde hij, terwijl hij een beschermende hand op de kist legde.

‘Waar gaat het toch heen met deze wereld, als men zelfs vrienden niet meer kan vertrouwen.’ Bran schudde meewarig zijn hoofd. ‘Wellicht dat u het advies van een vreemdeling ter harte wilt nemen, als uw vrienden u zo in de maling dreigen te nemen?’ De wagenmenner haalde lomp zijn schouders op. Bran maakte een hoofse buiging waarmee hij subtiel te kennen gaf dat hij gaarne meer informatie verstrekte. ‘Natuurlijk is het mij opgevallen dat uw lichaamsgeur de krachtige uitstraling heeft die bij een man van uw statuur gepast is. Die moderne fratsen over hygiëne zijn natuurlijk je reinste flauwekul en alleen van belang voor vrouwen en dwepers, niet voor nobele mannen zoals u en ik! Maar helaas zal uw verloofde niet genegen zijn om al uw gerechtvaardigde lusten met enthousiasme te begroeten, tenzij u zich ontdoet van uw krachtige aroma.’ Bran laste een dramatische pauze in. De wagenmenner gaapte hem met open mond aan en Bran hervatte glimlachend zijn betoog.

‘U kunt natuurlijk volharden en uw lichaamsgeur behouden. Echter! Hoe zal uw aanstaande vrouw reageren? Zal zij zacht koerend aan al uw wetmatige verlangens gehoor geven? Neen!’ Bran priemde een waarschuwende vinger de lucht in. ‘Zij zal weerspannig zijn. Zeuren. Wellicht zelfs uw ochtendpap laten aanbranden! In ieder geval zal zij vanavond stijf en onwennig de echtelijke sponde instappen, in plaats van met gepaste lust! Een onwaardige situatie!’ Bran wierp wanhopig zijn armen in de lucht. ‘Toch is de oplossing voor dit probleem nabij. Ginder, slechts op korte afstand van de weg, stroomt een heldere beek.’ Bran wees in de richting van de herberg, waar hij die ochtend het ruisen van een beek had gehoord, parallel aan de weg. ‘Een korte wasbeurt zal deze bekrompen vrouw overtuigen van uw goede wil en haar vannacht inschikkelijker maken. Zij is het waard: alleen mijn fatsoenlijke inborst en eerbied voor de herbergier weerhield mij er gisteravond van om haar een compliment te geven met haar ravissante uiterlijk! Mocht u besluiten om te zwichten voor deze grilligheid van uw aanstaande, dan bied ik u geheel belangeloos mijn diensten aan: terwijl u zich enigszins opfrist, zal ik uw wagen en uw kist met mijn leven en zwaard verdedigen.’ Bran trok zijn zwaard en bracht de wagenmenner een elegant saluut dat hij had afgekeken van de paleiswacht in Alman’or, dezelfde paleiswacht die hem later smadelijk de stad had uitgejaagd. De wagenmenner wreef over zijn kin.

‘Mijn lichaamsgeur is mij lief. Niettemin zie ik de voordelen van uw plan; een lichte opfrissing zal haar wellicht om de tuin leiden. Zodra onze verbintenis bestendigd is, zal ik mijn oude sanitaire gewoonten weer oppakken. Ik stem daarom volgaarne in met uw voorstel!’ De wagenmenner grijnsde zijn bruine tanden bloot en zette zijn span paarden aan tot een ongehaaste gang. ‘Gezien onze diepere vertrouwelijkheid is het gebruikelijk om identiteiten uit te wisselen. Mijn naam is Meltrox van Mir, wormsteker van beroep. Wat is uw naam, vreemdeling?’

‘In deze noordelijke streken noemt men mij Janus,’ zei Bran, die naast de wagen slenterde en het stof probeerde weg te wapperen met zijn hand. ‘Ik handel in exotische geneesmiddelen; tevens bezorg ik mijn klanten bij tijd en wijle een extractie of purgering.’

‘Een nuttige professie!’ mompelde Meltrox.

Een wijle gingen beide mannen zwijgend voort over de holle weg. De weg liep geleidelijk omhoog en bood aan de linkerzijde een wijder uitzicht op de steppe van de Noordelijke Woestenij. Een bos van pijnbomen begon aan de rechterzijde van de weg; Bran had hier ’s ochtends enkele bessen geplukt. In de verte, waar de weg naar links afboog, ontwaarde hij de omtrekken van de herberg. Zag hij bij de ingang de beweging van enkele ruiters, die afstegen voor een koele dronk uit de voorraad van de herbergier? Zou dat een patrouille van de schout kunnen zijn?

‘Mijn gehoor onderscheidt het ruisen van de beek,’ sprak Bran gehaast en hij wees tussen de pijnbomen. ‘U treft het, Meltrox! Hier ligt de kans om u te verzekeren van nachtelijk genot zonder tegenwerpingen. Nu, zoals afgesproken zal ik uw goederen bewaken.’ Bran maakte een uitnodigende buiging. Meltrox hield zijn paarden in maar fronste.

‘In mijn herinnering stroomt de beek pas verderop langs de weg. Waarom zou ik mezelf onnodig in gevaar brengen met een wandeling door een woud waar worgen rondwaren, terwijl ik ginds alleen van de weg hoef af te stappen?’

‘Deze ochtend stopte ik bij de plek die u noemt, waar de beek inderdaad langs de weg stroomt,’ ratelde Bran. ‘Het was een warme ochtend en ik wenste mijn veldfles bij te vullen. Maar tot mijn ontsteltenis ontwaarde ik de gedaante van een worg tussen de bomen! Ik vermoed dat de duivelse wezens deze plek gebruiken voor hun overvallen op reizigers. Nu ben ik geenszins bang uitgevallen, maar een ontmoeting met worgen ga ik bij voorkeur uit de weg.’

Meltrox maakte een ritueel, beschermend gebaar. ‘Dat is de verstandigste handelswijze! Deze veile wezens zijn een plaag. Opnieuw heeft u mij een wijs advies gegeven!’ De wagenmenner maakte aanstalten om van de bok af te klimmen. Bran tuurde in de verte en zag bij de ingang van de herberg een aantal mannen geagiteerd heen en weer bewegen. Een stofwolk verscheen; de mannen waren opgestegen en reden gehaast over de weg, in de richting van Bran, de wagen en Meltrox, die langzaam afdaalde van de bok. Tot zijn ontsteltenis zag Bran dat de wagenmenner een donderbus droeg, die er dodelijk uitzag. Gekscherend stak Meltrox de loop van de donderbus tegen Brans borst, die achteruit struikelde en zijn hand naar het gevest van zijn zwaard bracht. Meltrox gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte hartelijk. Uit zijn geopende mond walmde een verfoeilijke stank in de richting van Bran.

‘Geen vrees, wijze vriend! Dit gereedschap zal mij vrijwaren van de ongewenste attenties van de worg terwijl ik mij verfris.’ Meltrox struinde de bosrand in, met de donderbus over zijn schouder en een laatste blik op Bran. ‘Slechts enkele ogenblikken heb ik nodig; ik wens u een voorspoedige wacht!’

Zodra Meltrox uit het zicht was verdwenen handelde Bran snel. Hij beklom de bok, nam de leidsels en draaide de wagen, met vluchtige blikken op de bosrand en de naderende stofwolk. Hij greep de zweep en wist de paarden tot een sukkeldraf aan te sporen. Toen Bran een kwart mijl gevorderd was, ontwaarde hij een half ontklede Meltrox die zwaaiend met zijn donderbus uit de bosjes kwam gerend. Hij schouderde zijn wapen, een explosie weerklonk maar Bran merkte niets van enig projectiel; de afstand was te groot. Bran grijnsde vergenoegd, maar de stofwolk op de weg kwam onverbiddelijk naderbij; zijn wagen ging te langzaam. Twijfelend inspecteerde hij de bezwete ruggen van de knollen; verdere aansporing was tevergeefs. Het zou slechts weinig uitmaken indien hij een dier zou uitspannen en zijn weg op de brede rug van één van de dieren zou vervolgen. Bovendien kon hij de kist dan niet meenemen; Bran wierp een blik over zijn schouder. De kist was rijk versierd met krullend houtsnijwerk en afgesloten met een smeedijzeren slot; duidelijk een kist met kostbare inhoud. Hoe was zo’n kinkel als Meltrox aan een dergelijke kist gekomen? Zonde om die achter te laten. Maar hij had niets aan kostbaarheden als zijn achtervolgers, aangevuld met een woedende Meltrox, hem zouden inhalen.

Een bocht in de weg bracht uitkomst. De berm was hier begroeid met hoog opgeschoten olifantsgras op een schijnbaar zachte ondergrond van mulle aarde. Bran bond de leidsels aan de bok, gooide de kist in het gras, gaf de paarden een laatste zweepslag en sprong de kist achterna. Hij kwam onzacht terecht maar was ongedeerd. Tevreden zag hij hoe de wagen voortsukkelde over de weg. Haastig zocht hij de kist en sleepte deze de bosrand in, waar hij even uithijgde. Zodra hij hoefgetrappel ontwaarde liet hij zich plat op zijn buik vallen en loerde naar de weg. Een vijftal dragonders van de schout draafde voorbij in hun traditionele tunieken van scharlaken katoen; één van de paarden torste bovendien de gestalte van Meltrox die met zijn donderbus zwaaide, achter een dragonder die een doek voor zijn gezicht gebonden had om de asem van zijn passagier te blokkeren. Glimlachend zag Bran het groepje ruiters uit het zicht verdwijnen. Hij was eenieder weer eens te slim af geweest! Hij trok zich dieper terug in het bos; het zou niet lang duren voordat de patrouille zou bemerken dat hij was uitgestapt en terug zou keren om naar sporen te zoeken.

Het zonlicht drong slechts moeizaam door het bladerdek van de pijnbomen heen. Bran huiverde; het was niet denkbeeldig dat een worg hem beloerde vanuit de schaduwen. Hij had geen keus: hij diende zoveel mogelijk afstand tussen hemzelf en de patrouille te scheppen, dus hij stapte manmoedig voorwaarts in een richting die hem wegvoerde van de weg, dieper het bos in. De kist was niet bovenmatig zwaar en liet zich makkelijk voortslepen.

Zonder overvallen te worden door worgen, gruwels of andere demonen uit het woud lukte het Bran om ongedeerd een open plek te bereiken. De duisternis begon inmiddels te vallen en een lied weerklonk door het bos: de lokroep van een vlerk die de gewoonte had om bij zonsondergang dieren en dolende reizigers tot zich te roepen, waarna hij ze met huid en haar verslond. Aan de rand van de open plek zag hij een vervallen houthakkershut waar hij zich naar toe haastte. Een zenuwachtige blik over zijn schouder onthulde een lange, witte gedaante die zich over zijn spoor boog, met rode ogen opkeek in zijn richting en met wanstaltig grote sprongen naderbij kwam. Bran slaagde erin de deur van de hut open te rukken, de kist naar binnen te slepen en de deur te barricaderen met enkele planken hout, voordat een muskusachtige geur zich aan hem opdrong. De deur kraakte onder een zwaar gewicht dat er tegenaan duwde. Een dissonante stem vervormde de lucht.

‘Mens, open de deur en sta toe mijzelf te voeden met je vlees.’

‘Geenszins! Dit vlees is het mijne en ik wens het nog lange tijd te behouden.’ Bran stak zijn zwaard door een spleet in de deur. Een woedend gesis weerklonk; de stank van de worg verminderde toen het wezen zich terugtrok. Bran zeeg ineen op de aarden vloer van de hut maar herstelde zich snel. Hij sloeg vuur met zijn tondel, ontstak het haardvuur en doorzocht de hut. Er waren geen openingen in het dak en de ramen werden door luiken beschermd. Voorlopig was hij veilig; zijn achtervolgers zouden hem nooit door het nachtelijke woud durven te volgen, blijkbaar had hij de worg afdoende ontmoedigd.

Geschreven door Patrick Brannigan, binnenkort deel 2!

 

 

 

 

Laat een reactie achter