De Leeshoek: Schat van een Draak, Deel 2 – Jack Schlimazlnik

FireBreathingDragonOverLondon3 300x280 De Leeshoek: Schat van een Draak, Deel 2   Jack SchlimazlnikHet tweede deel van een nieuw verhaal in episodes op de Geekstijl boekenplank! Geniet in onze Leeshoek lekker ouderwets mee met spannende afleveringen uit de onuitputtelijke verbeelding van Nederlands Fantasy en Science Fiction talent. In ‘Schat van een Draak’ laat Jack Schlimazlnik ons zien dat het leven van een draak niet over rozen gaat, en dat begerigheid een mens kan veranderen. Deze aflevering is dan ook niet voor tere zieltjes! 16+ Deel 1 gemist? Lees hem hier.

 

Schat van een Draak, deel 2 – Jack Schlimazlnik

De herinneringen overvielen me enigszins. Het was al eeuwen geleden dat deze gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. De tijden waren veranderd. Nu drong de smerige rook van de brandende dorpen door tot in mijn grot. Langzaam draaide ik mijn hoofd naar het dal. Hier had ik al die tijd geleefd nadat ik me uit mijn menselijke leven had teruggetrokken. Ik woonde in dit land, op de top van de Nevelsteen, een berg zo hoog dat de top altijd bedekt was met sneeuw. De hellingen waren meestal versluierd door mistslierten. Zo nu en dan vloog ik met zware slagen naar een van de dorpen. Ze hoorden me aankomen, maar vluchten kon niet meer. Ik had dan de honger, ik moest eten. Ik maakte jacht op de maagden van het dal, hun malse vlees voedde mijn oude lichaam, hun onbezoedelde bloed gaf mij levenskracht. Zo ging het vele eeuwen, tot de jeugd zijn enige wapen tegen mijn rooftochten ontdekte en zich daarmee in het verderf stortte. Ze paarden aan een stuk door, bijna geen maagd bleef mij over. Ze verloren zich in het gebruik van een vergif dat hen een roes en mij bedorven voorraden bezorgde. Daarvan had ik geen benul toen ik mijn roes beleefde in de grot gevuld met de schatten van de gevelde draak. Ik merkte het pas toen de honger echt begon. Maar dat was pas veel later, te laat…

Met de kostbaarste schatten verliet ik de grot van de draak. Ik snelde langs het Woudwater van de Zwartberg vandaan. Maar nog voor ik het duistere woud verliet, rijpte er een plan in mijn gedachten. Ik wijzigde mijn koers. Niemand mocht weten dat de draak gedood was. Als dat bekend raakte, zouden vele schatzoekers de nu onbewaakte schat van mij wegroven. Via omwegen, vergeven van onnoembare gehuchten en haast onbegaanbare paden, keerde ik terug naar Merenmark. Ik verstopte het deel van de schat dat ik had meegenomen in een holle boom. Slechts een gouden ring met een kostbare karbonkel stak ik terug in mijn jaszak en het kleine parelmoeren doosje, dat uit de nalatenschap van een tovenaar afkomstig leek, deed ik in mijn ransel. Het doosje rook lichtelijk naar mistel, een kostbaar magisch middel voor wie het weet te gebruiken.

Nadat ik mijn schat goed had toegedekt voor dwalende ogen, ging ik mijn ouderlijk huis binnen om mijn vader mede te delen dat zijn beide andere zoons helaas de tocht niet hadden overleefd. Mijn vader treurde toen hij het nieuws vernam. Hij besefte nu ook dat ik, zijn enige nog levende erfgenaam, het markizaat zou bezitten.

De dag erna liet ik een paard zadelen en reed daarmee naar de prinses om wier hand ik wilde vragen. Ik wachtte in de nabijheid van haar vertrekken tot de avond viel. Omhuld door de schemer sloop ik naar haar venster dat op een kier stond – alsof een vrijer werd verwacht.

‘Melisande!’ riep ik zacht. Niet veel later verscheen haar fijne gezicht in het maanlicht. Haar haren hingen als gouden tressen over haar schouders. Haar zijden nachtjapon voegde zich als kwikzilver naar haar lichaam. ‘Ben jij het?’ zong haar stem in de nacht.

‘Ik kom je halen,’ zei ik.

‘Mijn vader…’ begon ze.

‘Ik heb de draak verslagen!’ fluisterde ik haar toe.

‘En de schat?’ vroeg ze enigszins argwanend. Misschien had ze verwacht dat ik met gouden koetsen en diamanten paarden voor zou rijden. Ik gaf haar de gouden ring met de karbonkel.

‘Dat is alles wat er zo snel te vinden was. Mijn broers hebben er de dood gevonden. Ik ben gelijk naar huis teruggekeerd. Ik zal het markizaat erven. Ik ben een rijk man! Ik zal een expeditie sturen om de rest van de schat te bergen.’

Ze klauterde over de vensterbank en liet zich in mijn armen vallen. We kusten elkaar vluchtig. Er was meer te doen die nacht. Ik besteeg mijn paard en hielp haar voor me op het zadel. Zo galoppeerden we de nacht in. Ik kende een grot in een nauw dal, niet ver van het koninklijk paleis. Daar bracht ik Melisande heen. We reden door een dicht woud, de distels en doornen die het dal beschermden reten haar japon open. Nog voor we de grot bereikten, was ze naakt. Haar huid was geschramd, ik rook haar zoete, maagdelijke bloed. Ze legde zich neer in het maanlicht, voorzichtig op de bemoste grond vooraan in de grot. Ze spreidde haar benen en streelde het dons rond haar flamoes. Ze nodigde me uit er gebruik van te maken. Ik kleedde me uit, blij me eindelijk te kunnen bevrijden uit de plunje die mijn huid deed jeuken. Ik wierp me op haar en nam bezit van haar tot de zon opkwam. Ze was nu van mij. Haar vader kon haar hand niet meer aan een ander schenken, niet nu haar kostbaarste bezit ten gunste van mij was gekomen. Ik had haar maagdelijkheid genomen, ik had mijn koninkrijk gewonnen.

We vielen in slaap in de grot. Ik werd wakker door het kriebelen van mijn huid. Haar hand lag op mijn borst, de karbonkel aan haar vinger schitterde bloedrood in het licht van de opkomende zon. De vinger van de hand die nu van mij was. Ik kuste haar, mijn tanden scheurden haar lip. Met een siddering van afschuw proefde ik haar nu bezoedelde bloed.

Mijn vader stierf van verdriet over het verlies van zijn oudste zoons. Vlak voor zijn overlijden huwde ik de prinses. Enkele weken na onze echtverbinding rustte ik een expeditie uit naar de Zwartberg. Melisande ging mee. Aanvankelijk dacht ik dat zij mijn aanwezigheid waardeerde, met name mijn edele lid dat meermaals per dag bij haar binnendrong en haar telkens weer in vervoering bracht. Ik was blij dat zij bij mij was, alleen de aanraking van haar zachte huid, het zien van haar fier geronde borsten en het binnendringen van het vochtige flamoesje dat mijn lusten bevredigde deed mij mijn jeukende lichaam even vergeten.

We trokken met de lege wagens moeizaam langs het Woudwater. De modder en de begroeiing hinderden de voortgang van de expeditie. Toen we eindelijk voor de hellingen van de Zwartberg stonden, besefte ik dat we de schat naar de voet van de berg moesten brengen zonder van de wagens gebruik te kunnen maken. Mogelijk zouden de zwaar beladen wagens wegzakken in het modderbed van de stroom. De expeditieleden hadden dan alle kansen mijn schatten te roven.

‘Wie mij niet gehoorzaam is,’ zo dreigde ik, ‘zal ik met het stof van de mistel veranderen in een oelewapper!’ Zij kenden de toverkracht van de mistel en de spreekwoordelijke domheid van het gevreesde wezen. Ze bogen hun hoofd toen ik het parelmoeren kistje met daarin het vermeende tovermiddel boven mijn hoofd hield. Zo beschermd tegen deze hebzuchtige rovers die mij mijn koninkrijk benijdden, klommen Melisande en ik de Zwartberg op. Uit het zicht van de andere expeditieleden beklom ik Melisande nog eenmaal op de Zwartberg, daarna benamen de stank van zwavel en rottend vlees mij de daarvoor noodzakelijke lusten.

Het slagveld lag erbij zoals ik het verlaten had. De kou op de hogere flanken van de berg hadden de tijd nog niet de gelegenheid gegeven haar werk te doen. De lijken lagen tussen de keien rond het kolossale lichaam van de dode draak. Ik dacht dat Melisande geschokt zou zijn door dit wrede tafereel, maar ik zag een glans in haar ogen die ik herkende. Ze wilde de schat zien, die bezitten, zich erin wentelen en zich ermee bevredigen. Zo snel haar met bont geschoeide voetjes het toelieten draafde ze naar de ingang van de grot, op weg om mijn schat in te nemen. Ik liep haar snel na.

Aarzelend bleef ze bij de ingang van de grot staan. Daar lag voor haar voeten het lijk van Gerwil, zijn gezicht op de rotsen, het gapende gat in zijn rug waar mijn zwaard hem had geraakt. Melisande draaide zich naar me toe. Haar gezicht was bleker dan maanlicht.

‘Je broer is niet door de draak gedood,’ sprak ze langzaam. Ze wist wie het wel had gedaan. Ze zou hem aanklagen, zodat ze zelf de schat in handen zou krijgen. Ze zou hem kunnen doden en als weduwe van zijn schatten genieten. Ik haalde uit en reet haar gezicht open met de klauw die ooit mijn rechterhand was. Met mijn linkerklauw trok ik het strottenhoofd uit haar nek. Verbaasd zag ik hoe haar bloed van mijn ijzeren nagels droop. Toen schopte ik haar lijk van de berg, de steile afgrond in, waar het nooit gevonden zou worden.

Volgende week deel 3 van ‘Een Schat van een Draak’!

 De Leeshoek: Schat van een Draak, Deel 2   Jack Schlimazlnik

Laat een reactie achter