De Leeshoek: Schat van een Draak, deel 3 – Jack Schlimazlnik
Het derde deel van een nieuw verhaal in episodes op de Geekstijl boekenplank! Geniet in onze Leeshoek lekker ouderwets mee met spannende afleveringen uit de onuitputtelijke verbeelding van Nederlands Fantasy en Science Fiction talent. In ‘Schat van een Draak’ laat Jack Schlimazlnik ons zien dat het leven van een draak niet over rozen gaat, en dat begerigheid een mens kan veranderen. Benieuwd naar deze Geekstijl Original? Lees hier deel 1 en deel 2!
Schat van een Draak, deel 3 – Jack Schlimazlnik
Ik keerde terug naar de leden van de expeditie. Ik vertelde dat de prinses de tocht helaas niet had overleefd, de hebzucht had haar onvoorzichtig gemaakt waardoor ze in het ravijn was gevallen. In rouw gedompeld tilden we de schatten van de grot naar de wagens om in stilte terug te rijden naar mijn markizaat.
In de loop van de maanden die volgden nam de jeuk op mijn lichaam af. Onder mijn zwarte rouwgewaad groeiden de groene schubben, mijn schoudercape droeg ik om de groei van mijn vleugels te verhullen. Tussen mijn benen groeide mijn staart, groene schubben met een pijlvormige punt die al snel groter was dan mijn edele lid. Dit was de wraak van de draak, zo vermoedde ik. Ik had misschien het doosje met de magische mistel niet mee moeten nemen. Angstvallig hield ik het parelmoeren kistje in mijn nabijheid, geen van mijn onderdanen mocht de kans krijgen het tovermiddel dat het bevatte te gebruiken. Ik verborg het kistje achterin het dal met de distels, bij de grot waar ik Melisande en mijn koninkrijk had opgeëist. Daar ook bewaarde ik lange tijd de schatten van de Zwartberg, die ik aanvulde met het fijnste zilver en het zuiverste goud van Merenmark, de schitterendste edelstenen uit het koninkrijk en de juwelen die ik uit exotischer oorden ontving.
Ik liet de zoete herinneringen vervliegen. Ik keek weer naar het dal, naar de jonge draken die hun bezittingen vernielden in hun hebzucht. Geen van hen koesterde een schat zoals ik dat deed, geen van hen had het goud om aan te raken, erop te mijmeren, of bezat een bad met edelstenen om in te genieten. Hun rijkdom bestond uit schuldbekentenissen, leningen, onderpanden en beleggingen. Hun schatten waren opgeblazen door de waan van de dag, door rente-algoritmen die hun bankkluizen met lucht vulden. De jonge draken laafden zich aan speculaties op een beurs die geen korrel goud bevatte. De verkoop van hun schatten vergrootte slechts de handelswaarde, de nominale waarde was miniem en zelden meer dan de waarde van het papier waarop het gedrukt stond. Een juweel was voor hen niet meer dan een flonkerend stuk glas op een even goedkope hoer; inwisselbaar en het koesteren de moeite niet.
Ik had honger. En zij waren schuldig. Niet alleen ontmaagden ze mijn voedsel, zij ambieerden ook het drakenschap. Ook zij moesten, kort nadat hun vleugels en staarten groeiden uit het jongelingenlichaam, hun honger naar maagdelijk bloed stillen. Er waren er veel. Te veel. Het dal was te klein voor ons samenzijn.
Een onnozelaar had zich in de richting van mijn woning vergist. Op een dag stond hij glimlachend voor de ingang van mijn grot. De dwaasheid droop van zijn door bloemenkransen omzoomde gezicht. Hij was een mens. Ik had liever een vrouwelijk exemplaar gezien, al scheelde het niet veel.
‘Hoi! Ik ben Herman!’ zei hij.
Ik gromde mijn naam, de naam uit legenden, de meest gevreesde naam in het koninkrijk. Maar hij leek die naam niet te kennen of het deerde hem niet.
Het zijn zij die zuiver van geest zijn, of onnozel zoals het exemplaar dat voor mij stond, die ongestraft een draak kunnen naderen.
Ik snoof, zwavel vond een weg door mijn neusgaten. Herman woof de stinkende damp glimlachend weg.
‘Ik kom hier in het kader van de ecologische balans,’ deelde Herman mij mede. ‘Door een te grote populatie draken wordt het voortbestaan van de soort bedreigd.’
Hij raaskalde, wat mijn oordeel over zijn geestelijke vermogens bevestigde. Ik gromde zo diep, dat de grond ervan trilde. Hij wankelde even op zijn sandalen, maar vond toen zijn evenwicht terug. Hij keek bezorgd. ‘Er zijn veel te veel jonge draken die niet alleen hun eigen soort schaden, maar ook schade berokkenen aan de ecologie binnen hun biotoop.’
‘Ik heb de honger,’ zei ik tussen mijn waterende tanden door. Ik vroeg me af of jongelingen mijn schamele dieet van maagden konden aanvullen. Deze rook me echter wat te veel naar parfums.
De ogen van Herman lichtten op toen hij mijn woorden verstond. ‘Ik wil je helpen de balans in je biotoop te herstellen, zodat je geen honger meer zult hebben.’
Dat laatste begreep ik. ‘Je wilt mij helpen? Wie zegt dat ik de baleinen van de biertoog kan herstellen?’
Een spastische trek krulde Hermans lippen. Hij draaide met zijn ogen. Ik dacht dat hij een toeval kreeg.
‘Jij bent de enige die een einde aan de honger kan maken. Jij bent de oudste, de wijste draak. De sterkste.’
Ik knikte langzaam. Herman leek toch niet zo dom te zijn als ik dacht.
‘In je eeuwenoude leven heb je beslist wel wapens verzameld, niet? Daar kunnen we de jonge draken mee verdrijven uit het dal.’
Zoals ik de soldaten van de koning uit het Markizaat had verdreven toen zij hun onterechte eis op de teruggave van de bruidsschat met militair geweld kracht bijzetten. De geur van urine markeerde nog lang daarna de straatweg naar het koninkrijk. Het plan beviel me.
‘Kom binnen. Kijk maar of je geschikte wapens ziet.’ Ik liet mijn ijzeren klauwen glimmen in de zon. Mijn tanden blikkerden in het licht. Ik maakte wat ruimte, zodat hij voor me langs kon lopen naar de vele ruimten met de daar door mij opgestapelde schatten, gang na gang, kamer na kamer. Aarzelend bekeek Herman de verzameling. Hij bewonderde de kromzwaarden uit verre streken en de gouden idolen van nog verder weg. Hij nam voorzichtig een met platina ingelegd zwaard uit een hoop tempeljuwelen, maar schudde zijn hoofd en legde het terug. Zijn vinger gleed langs ivoren pijlpunten, zijn ogen volgden de slanke lijnen van de decoratie op een kanon.
‘Dit gaat ons niet helpen,’ zei hij ten slotte. ‘Heb je nooit een magisch zwaard weten te krijgen? Een betoverde, zilveren kogel? Een bezielde dolk?’
Ik schudde mijn hoofd. Door mij onbekende redenen verbleven maagden zelden in de nabijheid van tovenaars of magiërs. Bovendien waren die magische voorwerpen meestal onopvallend, zonder kenmerken die mij konden bekoren. Ik herinnerde me een jonge heks, zij was niet om aan te zien, haar toverkunsten nog minder. Ze krijste me toe dat mijn begeerte mijn ondergang was. Haar hutje op gebakken kipkluifjes rookte nog dagen daarna aan de horizon, terwijl ik haar taaie huid tussen mijn tanden vandaan pulkte. De heks was net als Melisande op mijn schatten uit geweest. Ik waagde mij niet meer in de nabijheid van vrouwen, behalve bij maagden om de honger te stillen. Zeker bij heksen die mij maagpijn bezorgden bleef ik voortaan uit de buurt. Soms miste ik de lichamelijke opwinding, het verhitte ritme van de voortplantingsrituelen, de belofte van een lonkend flamoesje. Maar dat was slechts een middel van de vrouwen om te trachten mijn rijkdommen te vergaren.
Nee, magie was niet wat mijn grotten tooide. Ik hield mij bij voorkeur verre van magie sinds het ongeluk dat over mij kwam door het parelmoeren kistje met de mistel dat ik verkreeg na het doden van de draak. ‘Ik heb mistel,’ zei ik.
Hermans ogen schitterden. ‘Dat is bruikbaar! Waar is het?’
Diep weggestopt. Ik had het diep weggestopt in mijn geheugen. Het was zo lang geleden. Ik slenterde naar de achterste grotten, waar het zonlicht niet meer schitterde en de schatten dof van het stof waren. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’
Volgende week het vierde en laatste deel van ‘Een Schat van een Draak’!



