De Leeshoek: Schat van een Draak, deel 1 – Jack Schlimazlnik

FireBreathingDragonOverLondon2 300x280 De Leeshoek: Schat van een Draak, deel 1   Jack SchlimazlnikHet eerste deel van een nieuw verhaal in episodes op de Geekstijl boekenplank! Geniet lekker ouderwets mee met spannende afleveringen uit de onuitputtelijke verbeelding van Nederlands Fantasy en Science Fiction talent. In ‘Schat van een Draak’ laat Jack Schlimazlnik ons zien dat het leven van een draak niet over rozen gaat, en dat begerigheid een mens kan veranderen.

 

 

Schat van een Draak, deel 1 – Jack Schlimazlnik

Ik keek van mijn eenzame woning over het dal vanwaaruit de rookwolken opstegen. Daar vlogen de draken met jeugdig enthousiasme boven de vlammende daken van de boerenhoeven. In glijvlucht jaagden ze op de weinige maagden die nog over waren. Een ruwe, kokhalzende beweging van de monsters voldeed om de gewassen op de velden te verzengen en de geriefbosjes in lichterlaaie te zetten. Met hun klauwen tilden ze voertuigen op, om deze enkele meters door de lucht mee te voeren en neer te laten vallen, waarbij de inzittenden gedood werden. De lijken rolden gehavend uit het opengescheurde staal: een prooi uit blik voor deze wrede wezens. Het meer verdampte door de hete adem van de beesten, de vissen werden daarbij levend geroosterd. De drakenbende joelde zo luid bij zijn feestmaal dat het rumoer zelfs mijn afgelegen woning bereikte. Ik sloeg mijn staart troostend om mijn geliefdste goudschat. Zolang de jonge draken het dal teisterden, waren hun gedachten niet bij mijn goud. Mogelijk wisten ze niet eens van mijn bestaan af.

 

Ik ben een legende, ik ben de draak die iedereen kent. Ik ben nu slechts een hersenspinsel van bakers en bangmakers die mij steeds andere gruweldaden toedichten.

Ik was vergeten door de gemeenschap. Ik leefde mijn eenzaam bestaan in een berg vol goud, ruwe edelstenen, sieraden, juwelen, en een schat aan andere kostbaarheden die ik door de eeuwen heen zelf had geborgen. Ik had het naar de berg gebracht vanuit vele koninkrijken. In mijn tijd werd ik overal gevreesd door mijn naam als verzamelaar, maar nu vreesde ik het verderf van de jeugd.

Ooit was ik een man. Ik was een sterke, gezonde man, de middelste zoon van de markies van Merenmark. Ik had mijn oog laten vallen op de dochter van de koning. Ik kon haar hand winnen door een draak te verslaan en zijn goud als bruidsschat te gebruiken. Ik wilde zijn mythische magie de mijne maken. Met mijn broers en een aantal vrienden trok ik de duistere wouden van Zwartberg binnen. Hier huisde de draak. Zijn vurige adem had de bomen geblakerd. We zagen sporen van zijn geschubde staart in de modder langs het aan obsidiaan herinnerende Woudwater, waarvan de bovenloop bezaaid lag met aangeknaagde kadavers. We volgden de stroom en doorkruisten het woud tot de dichtheid van de begroeiing verminderde: even later lag voor ons een met grassen en mossen bedekte helling.

‘De draak kan niet ver meer zijn,’ zei Karol, mijn oudste broer. Hij leek het goud van de drakenschat te kunnen ruiken. Hij hield zijn hand bij het gevest van zijn zwaard, terwijl hij de helling naar het drakenhol beklom. Wij, dat waren mijn jongere broer Gerwil, mijn drie vrienden en ik, volgden. Ook wij droegen zwaarden, maar twijfelden aan de doeltreffendheid van het ijzer als we met het drieste beest geconfronteerd zouden worden. Nochtans ging Karol dapper voorwaarts. Mogelijk rook hij het goud nog, de stank van rottend vlees was voor ons echter ondraaglijk. Overal op de helling lagen de restanten van mensen en dieren van wie het vlees door de draak verslonden was. Hun afgekloven beenderen bleekten in de zon. Hier en daar lagen de vodden van waardeloze kleding: de overblijfselen van een reisuitrusting die de draak niet de moeite waard had gevonden om toe te voegen aan zijn schatten. Het aantal roestige, gebroken zwaarden van onze voorgangers was talloos. Ik voelde de dreiging van de draak als een tinteling op mijn huid.

Karol was ons enkele meters voor. Kwiek danste hij over de keien naar mijn schat. Terwijl ik toekeek hoe hij al fluitend ons pad zocht tussen de rotsen, besefte ik dat het niet dapperheid was die hem voortdreef. Het moest hebzucht zijn! Mijn oudste broer ging voorop om zich mijn schat te kunnen toe-eigenen. Woede ontvlamde in mijn hart. Mijn broer, die de voorrechten had van een eerstgeborene, die in de echt was verbonden met de hertogin van Sanspoubelle, wilde mij mijn bruid afnemen! Ik trok mijn zwaard en stormde naar voren. Ik was blind voor de draak die traag uit zijn hol kwam, ik was doof voor de waarschuwingen die mijn, inmiddels achter kliffen en rotsen verborgen, vrienden schreeuwden. Slechts mij gekrenkte eer kon ik horen, schreeuwend om wraak. Ik voelde de pijn van de jaren waarin mijn broer alles had genomen wat mij toekwam. Mijn haat dreef mij voort, afgunst liet mij mijn zwaard in het verbaasde lichaam van Karol stoten.

‘Wat doe je?’ stiet hij uit.

‘Die schat is voor mij,’ siste ik hem toe. ‘Ik moet de prinses hebben. Dat koninkrijk zal ik hebben!’

Het bloed borrelde uit zijn mond. Ik kon hem nauwelijks verstaan. ‘Ik wil geen prinses of koninkrijk,’ rochelde hij. ‘Ik zou vaders markizaat erven, maar nu…’ Zijn ogen braken terwijl hij me aankeek. Hij zeeg ineen voor mijn voeten.

‘Kijk uit voor de draak!’ Gerwils woorden rukten me los van de aanblik van Karol, die hevig bloedend voor me lag. Ik trok het zwaard uit zijn lichaam, veegde het bloed af aan zijn mantel. Ik draaide me in één beweging om, mijn zwaard weer fier geheven. De zwavelgeur van de draak walmde me tegemoet.

Maar ook de jongelui die ik mijn vrienden had genoemd keerden zich tegen mij. Met mijn jongere broer vormden zij een kwartet dat de draak aanviel. Ruw hieuwen ze hun zwaarden stuk op het geschubde beest. Zijn klauwen reten het vlees van mijn metgezellen open, fonteinen van bloed kleurden de berghelling rood. Onversaagd streden zij die gedoemd waren te sterven. Een van hen was al door de draak gedood: zijn lichaam was van de berg geslingerd.

Ik keek toe hoe hebzucht de overlevenden valse moed insprak. Ze wilden mijn schat hebben! Woede welde weer in mij op.

De draak had het zwaar onder hun niet aflatende aanvallen. Hij werd getroffen onder zijn vleugels, waar het metaal tot diep in zijn borstkas doordrong. Zijn hals was kwetsbaar toen hij het uitkreet van de pijn, Gerwil nam de kans te baat en stootte zijn zwaard in het drakenvlees. Het monster viel neer op de rotsen en verpletterde twee jongelingen onder zijn lichaam. De enige overlevende was nu Gerwil, mijn jongere broer. Hijgend, met het bebloede zwaard nog in zijn handen, stond hij naast de gevelde draak. Ongetwijfeld dacht hij aan de schat die in de nu onbewaakte grot wachtte. Of aan de bevallige prinses. Ik hief mijn zwaard om aan die gedachten een einde te kunnen maken.

Een gegrom klonk naast me. Ik dacht er zelfs woorden in te kunnen horen.

‘Doe het niet!’

Naast mij lag de stervende draak.

‘Doe het niet!’ klonk het nogmaals grommend, ‘Ik zou het niet meer doen!’

Ik keek de draak aan. Zijn ogen keken naar mij alsof het dier ooit intelligentie had gekend. Ze leken te smeken, maar dat deerde me niet. Wel verbaasde ik me over de kleine ogen met de groene irissen. De drakenogen keken me menselijk aan. In de ooghoeken glinsterde een traan. Met een welgemikte houw van mijn zwaard gaf ik de genadeslag.

Daarna liep ik Gerwil achterna, die al nieuwsgierig in de richting van de grot met de onmetelijke schatten liep. Ik stak mijn zwaard tussen zijn schouderbladen. Zijn aarzelende lichaam struikelde over een kei voor het besefte dat het stierf. Nog voor hij het fonkelende goud zag, verliet de ziel het lichaam. Het goud was voor mij alleen.

Volgende week deel 2 van ‘Een Schat van een Draak’!

 De Leeshoek: Schat van een Draak, deel 1   Jack Schlimazlnik

1 reactie

  1. Lannie op 21 February 11, 9:55am

    Vet verhaal. :-)

    Thumb up 2 Thumb down 0

Laat een reactie achter